zondag 14 november 2010

Welke negen coöperatieve werkvormen zijn er uitgekozen om het praktijkonderzoek uit te voeren?

In elke klas ligt er een map over coöperatief leren. In deze map zit veel informatie, maar dit is niet aantrekkelijk. 
Volgens de directie van De Grote Reis wordt deze map weinig gebruikt. 


Voor het praktijkonderzoek hebben wij negen werkvormen uitgekozen die wij gaan gebruiken tijdens rekenlessen. De werkvormen die worden gebruikt, hebben weinig materiaal nodig en zijn geschikt voor verschillende soorten lessituaties. Isolde zal deze lessen uitvoeren en ik zal al deze lessen observeren. Dit wordt verdeelt in groepen: een reguliere groep en een coöperatieve groep. De coöperatieve groep zal met Isolde aan de slag gaan met de werkvormen. Deze werkvormen verdelen wij in drie werkvormen voor tweetallen, drie werkvormen voor groepjes en drie werkvormen klassikaal. 


De door ons uitgekozen werkvormen zijn als volgt:
- Om de beurt 
- Duo's 
- Wandel wissel uit 
- Placemat 
- Koppen bij elkaar
- Woordweb
- Hoeken 
- Binnen en buiten kring 
- Waardelijn  

Link website werkvormen

Voor het praktijkonderzoek heeft Isolde negen werkvormen uitgekozen.
Daarnaast heeft zij een website gemaakt waar diversen werkvormen te vinden zijn voor duo's, groepjes en klassikaal en tevens ook voor onderbouw, middenbouw en bovenbouw.

Deze website kan bezocht worden door op de onderstaande link te klikken:

Website werkvormen

Resultaten praktijkonderzoek

dinsdag 28 september 2010

Voorwoord

Hallo,


Ik ben Michelle Bouwer en ik zit op de pabo thomas More in Rotterdam.
Samen met Isolde Hooijmans doe ik voor de minor Traditioneel vernieuwingsonderwijs onderzoek naar coöperatief leren op dalton basisschool De Grote Reis in Rhoon.


Op deze website is alles over ons onderzoek te vinden.


Groeten,
Michelle Bouwer



Wat is de rol van de leerkracht binnen het coöperatief leren in de klas en hoe sluit het klassenmanagement hierop aan?

Veel leerkrachten hebben in het begin moeite met een coöperatieve werkvorm. Volgens Ebbens (1997) zijn er leerkrachten die denken dat wanneer de leerlingen aan het werk zijn, de leerkracht in principe niks meer te doen heeft en kan gaan zitten. Of dat het een chaos wordt in de klas. Echter is dit niet zo. Wanneer de leerkracht een coöperatieve les geeft is het wel de bedoeling dat de leerkracht blijft begeleiden, ook al lijkt dit in eerste oogopslag niet nodig. Een juist klassenmanagement sluit hierop aan.

Binnen het coöperatief leren is het belangrijk het klassenmanagement zo in te richten dat kinderen gestimuleerd worden vragen en problemen zelf op te lossen of dit samen met een klasgenoot te doen. De leerkracht krijgt hierdoor een begeleidende rol. De leerkracht kan dit bereiken door vooraf een duidelijke instructie te geven, de klas zo in te richten dat de leerlingen over al het materiaal kunnen beschikken en dat de tafels in tafelgroepjes staan zodat het samenwerken makkelijker wordt.
De leerkracht moet voorafgaand aan een coöperatieve les een goede voorbereiding hebben. Zo moet van tevoren het doel van de les bekend zijn, dit is niet anders dan bij een reguliere les. De leerkracht moet de leerdoelen kennen zodat hij de leerlingen naar een bepaald einddoel kan begeleiden. De kinderen moet ook op de hoogte zijn van deze doelen. Zo krijgen de leerlingen aan het begin van de les het lesdoel te horen en zijn zij hierdoor beter in staat om achteraf op zowel hun product als proces te reflecteren.
Voor de leerkracht is het ook belangrijk om vooraf te beslissen welke coöperatieve werkvorm er in de les gebruikt gaat worden. De coöperatieve werkvormen verschillen onderling van elkaar. Zo zijn er onder andere werkvormen voor het verwerken van informatie, voor groepsbuilding en voor evaluatie. Niet elke werkvorm is geschikt voor het doel van de les.
De leerkracht maakt de leerlingen bewust van de wederzijdse afhankelijkheid. Dit houdt in dat de leerlingen beseffen dat ze elkaar nodig hebben bij het behalen van het doel. Iedereen heeft kwaliteiten en deze kwaliteiten kunnen van elkaar benut worden. Hiermee wordt bedoeld dat de ene leerling sterk is in het verwerken van informatie, de ander houdt zich graag bezig de lay-out en weer een ander is voelt zich prettig bij leiding geven.Zo kan de leerkracht ook een beroep doen op de individuele verantwoordelijkheid van de leerlingen. De leerling voelt zich verantwoordelijk voor eigen werk en ook voor dit werk als bijdrage aan het geheel. Op dit punt is het belangrijk dat de leerkracht goed duidelijk maakt aan de leerlingen wat hij verwacht. Wanneer de leerkracht van tevoren aangeeft dat iedereen meedoet aan de werkvorm en dat er vervolgens random iemand gekozen wordt, zal de individuele verantwoordelijkheid van de leerlingen groter zijn. (van Vugt, 2002)

De leerkracht moet voorafgaand aan de les denken aan bepaalde zaken zoals de groepssamenstelling en het te gebruiken materiaal. De groepssamenstelling kan het beste door de leerkracht zelf worden samengesteld. De leerkracht kan hierbij een keuze maken door geheel gemixte groepen of groepen op basis van leerprestaties, motivatie, geslacht, achtergrond etc. Hierbij kan worden gekozen om maatjes bij elkaar te plaatsen in een groep.
Het materiaal vooraf klaarzetten is een vereiste. Dit gebeurt ook bij een normale les. Zo wordt er ook drukte vermeden. De leerlingen weten direct wat er moet gebeuren en met welk materiaal. (van Vugt, 2002).

Om het samenwerken goed te laten verlopen moet er voorafgaand aandacht worden besteed aan de samenwerkingsvaardigheden en aan het gedrag wat de leerkracht van de leerlingen wenst. Deze samenwerkingsvaardigheden en het bijbehorende gedrag kun je vooraf toetsen door middel van een reflectielijst. Verderop in de tekst worden de samenwerkingsvaardigheden toegelicht.
Dit kan tijdens de uitleg van de opdracht. Hierbij is het noodzakelijk dat de leerkracht de opdracht zo nauwkeurig mogelijk uitlegt zodat de opdracht helder is voor de leerlingen.
Een groepje leerlingen kan dit met de leerkracht voordoen. Zo wordt het visueel voor de leerlingen en worden alle stappen duidelijk. (Förrer, 2000).

Daarnaast wordt er aandacht besteed aan wat de doelen zijn voor de leerlingen, wat de eisen zijn en hoe het resultaat gemeten wordt. Controleer bij de leerlingen of zij weten wat de bedoeling is.

Volgens Förrer (2000) stimuleert de leerkracht de leerlingen tijdens de les en is de rol meer begeleidend. De leerkracht versterkt het gevoel van wederzijdse afhankelijkheid binnen de groep. Iedereen heeft kwaliteiten en het groepje kan hier gebruik van maken. De leerkracht is dus geen onderdeel van de groep, maar loopt tussen de groepen door om deze te stimuleren, te begeleiden en reacties uit te lokken.
Na dat de les afgelopen is, is het belangrijk dat de leerkracht samen met de leerlingen evalueert. Niet alleen de leerkracht evalueert het proces maar vooral de leerlingen zijn aan het woord. Op deze manier kunnen de leerlingen weer van elkaar leren. Het evalueren kan ook gebruikt worden om de resultaten in de klas te bespreken. Naast deze vorm van het evalueren is het belangrijk dat de leerkracht terugkoppelt naar de doelen en naar de afspraken; is dit gelukt? Zijn de doelen behaald? Hoe gingen de samenwerkingsvaardigheden?

Samenwerkingsvaardigheden

De leerlingen krijgen tijdens het coöperatieve leren met bepaalde samenwerkingsvaardigheden te maken. Het is de taak van de leerkracht de leerlingen kennis te laten maken met deze vaardigheden en de leerlingen deze te laten ontwikkelen.
Samenwerkingsvaardigheden kunnen worden opgesplitst in drie groepen; basisvaardigheden, voortgezette vaardigheden en vaardigheden voor gevorderde groepen. Onder de basisvaardigheden wordt de echte basis verstaan, de voortgezette vaardigheden zijn een stapje hoger en zit er meer interactie in. Het laatste stadium, vaardigheden voor gevorderden, is echt gericht op het communiceren en het hebben van eigen ideeën en hiermee met teamgenoten overleggen. Het is de bedoeling dat de leerlingen hierin groeien en dat zij steeds hoger komen in deze vaardigheden. Er staat hiervoor geen vaste tijdsplanning, zo doet het ene kind hier langer over dan de ander. In principe is dit niet erg, zolang het kind zich maar wel blijft ontwikkelen. Uiteindelijk zal het een stadium bereiken waarin het samenwerken een interactief, wederzijds afhankelijke leersituatie wordt.

De rol van de leerkracht hierbij is het stimuleren van de ontwikkeling. De leerlingen moeten zelf aan de vaardigheden werken om deze te kunnen beheersen, maar zij hebben wel enige hulp nodig. Daar is de leerkracht voor. Zo kan de leerkracht bepaalde vragen stellen om een leerling tot inzicht te laten komen. Of de leerkracht kan een discussie losmaken. Zo lang de leerkracht een begeleidende rol heeft en zich niet autoritair opstelt, heeft het kind de ruimte zich te ontwikkelen in deze vaardigheden. De leerlingen kunnen zich ontwikkelen doordat de leerkracht hen stimulerende en prikkelende opdrachten geeft. Verder kan de leerkracht zo inrichten zodat samenwerken wordt gestimuleerd. Hierbij kun je denken aan tafelgroepjes, afscheiding van een stuk klas door rijdende kasten etc.
In dit schema staan de samenwerkingsvaardigheden in een tabel uitgewerkt. Op deze manier kan er precies gekeken worden wat bij welk stadium hoort. (Förrer, 2000)

Klassenmanagement

Om coöperatief leren binnen een klas mogelijk te maken moet het klassenmanagement hierop aansluiten. Klassenmanagement gaat over het sturen, organiseren en controleren van een klas. Door het klassenmanagement zijn de instructies van de leerkracht en de leeractiviteiten van de leerlingen succesvol. (Wyffels, 2006).

Wyffels (2006) beschrijft vier aandachtsvelden die het klassenmanagement optimaliseren: preventie van probleemsituaties, didactische vaardigheden, regels en afspraken en de inrichting van de klas. Deze vier aandachtsvelden staan allemaal in verhouding tot elkaar. Wanneer er zich een probleemsituatie voordoet, moet de leerkracht kunnen teruggrijpen naar regels en afspraken binnen de klas. Ook de didactische vaardigheden en de inrichting van de klas staan in verhouding met elkaar. Een leerkracht behoort didactische vaardigheden te bezitten waardoor deze leerkracht boven de stof staat zodat hij leerlingen op meerdere manieren kan begeleiden.

Regels en afspraken zijn een belangrijk onderdeel van klassenmanagement volgens Wyffels (2006). De vier aandachtsvelden moeten wel in juiste verhoudingen met elkaar staan, maar zonder regels en afspraken, is een goed klassenmanagement niet haalbaar. Er bestaan regels en afspraken op verschillende niveaus. Schoolregels (er wordt niet gepest, er wordt niet gevoetbald op het schoolplein), klassenregels (we blijven van elkaars spullen af, we geven elkaar een compliment) en persoonlijke regels (voor 1 leerling over een afgesproken periode). Vaak zijn regels negatief geformuleerd. Een welbekende regel is: “Je mag niet pesten”. Wanneer een regel positief en duidelijk wordt geformuleerd, zal er eerder een gewenst effect zijn. “We lossen een ruzie eerst op door met elkaar te praten voordat we naar de leerkracht gaan”, is een positieve en duidelijk omschreven regel. Een leerling weet waar hij aan toe is. Eerst praten, daarna de leerkracht. Deze regel is voor een leerling duidelijk doordat het gewenste gedrag beschreven staat. “Je mag elkaar niet slaan of schoppen” is een duidelijke regel, maar mogelijk weet een kind niet hoe het anders zou kunnen. Door in een regel het gewenste gedrag te beschrijven, zal een leerling eerder leren hoe het wel kan.

Het laatste punt van het aandachtsveld is de inrichting van het lokaal. De inrichting van een lokaal heeft als eerste met de persoonlijkheid van de leerkracht te maken. De leerkracht geeft een eigen draai aan de inrichting van het lokaal. Voor deze inrichting is het belangrijk dat de leerlingen zich veilig en thuis voelen. Een gezellige en vrolijke sfeer is vaak prettig voor zowel de leerkracht als voor de leerlingen en hun ouders. Ook hoort de inrichting aan te sluiten op de belevingswereld van de leerlingen. Vooraf dient de leerkracht bewust na te denken over de inrichting van het lokaal. Waar het bureau komt te staan, waar de instructietafel komt, hoe de groepjes worden gevormd etc.

Wanneer de leerkracht zich bezig gaat houden met het klassenmanagement is het belangrijk dat een leerkracht alles goed doordacht heeft. Wat wil de leerkracht precies bereiken van de leerlingen?

Wanneer ’s ochtends de leerlingen binnenkomen, moet de leerkracht al weten wat hij/zij wil van de leerlingen. Wacht je de leerlingen buiten het klaslokaal op om ze te begroeten? Sta je in de deuropening? Of zit je aan het bureau voor eventuele vragen? Wat wil je dat de kinderen na binnenkomst gaan doen? (in de kring, zelfstandig werken, even spelen etc.)
Nadat de opening van de ochtend is geweest gaan de leerlingen aan het werk. Waar een leerkracht aan kan denken zijn zaken zoals; ligt het materiaal klaar? Wil ik dat het rooster voor de leerlingen op het bord staat? Hoe en waar geef ik mijn instructie?
Ook aan het einde van de middag is er nog steeds een klassenmanagement. Hoe wil de je dat de leerlingen naar huis gaan? Gewoon los door de gang? In rijen? Moeten de leerlingen een hand geven? (Beemster, 1999)

Dit zijn allemaal vragen die een leerkracht kan gebruiken bij het opstellen van zijn/haar klassenmanagement. Toch bestaat het klassenmanagement niet alleen uit de vragen die de leerkracht zich vooraf stelt. Het hangt van o.a. de samenstelling van de groep af en de kenmerken die de leerkracht bezit. Wanneer de leerkracht van nature chaotisch is, zal de leerkracht meer moeite hebben met het klassenmanagement dan een leerkracht die erg nauwkeurig en stipt is.

In het onderwijs zijn er drie belangrijke pijlers; klassenmanagement, instructie en interactie. Deze pijlers kunnen niet zonder elkaar. Wanneer de leerkracht een goed klassenmanagement op wil zetten, zal de leerkracht gebruik meten maken van interactie tussen hem/haar en de leerlingen. Daarnaast gebruik je ook interactie tijdens de instructie. Anderzijds heeft de leerkracht een goed klassenmanagement nodig om een instructie goed te laten verlopen. (Beemster, 1999)

Waarom zou je als school kiezen voor coöperatief leren?

Wanneer de school coöperatief leren wil invoeren, is het belangrijk om te weten waarom je ervoor zou kiezen.

Het coöperatief leren heeft veel voordelen. Zo onder andere dat het de betrokkenheid van de leerlingen vergroot tijdens de les en dat de prestaties van de leerlingen vooruit gaan, vooral de prestaties van de leerlingen die onder het gemiddelde liggen. Het coöperatief leren heeft meerdere voordelen. Hieronder worden deze toegelicht.

Wanneer de leerlingen bezig zijn met coöperatief leren, zijn ze ook gelijk actief aan het leren. Dit gebeurt op twee manieren. De leerlingen verzamelen en verwerken zelf hun informatie en delen deze met hun groepsgenootjes. Op deze manier verwerkt de leerling de informatie en geeft hier een persoonlijke bewerking aan om het op niveau over te dragen naar de ander. De andere manier van het actieve leren is dat er vele werkvormen beschikbaar zijn voor de leerlingen en dat de leerlingen elkaar coachen en hier ook weer van leren. (Samen weet je meer dan alleen.)
Deze manieren van het verwerven en het verwerken van kennis is effectiever doordat de leerlingen hun persoonlijke draai eraan geven. Dit is totaal anders dan wanneer de leerkracht voor de klas een verhaal verteld en de leerling geacht wordt dit te onthouden. (van Vugt, 2002)

Een ander voordeel van het coöperatieve leren is dat het de interactie tussen leerlingen vergroot. Doordat de leerlingen in groepjes zitten en met elkaar aan een opdracht werken, zijn de leerlingen verplicht onderling met elkaar te spreken over de stof. Hieruit kan een discussie ontstaan. De leerlingen leren tijdens het groepswerk een eigen visie te hebben op dingen en een eigen mening te creëren. Wanneer er een discussie ontstaat, moet de leerling zijn of haar standpunt ook kunnen verdedigen. Er wordt dus tijdens het coöperatieve leren gewerkt aan het leren verbaliseren bij leerlingen. Wat de leerlingen ook leren is dat zij andermans mening moeten accepteren. Op deze manier wordt het pedagogische klimaat in de klas ook direct gestimuleerd. De leerlingen leren dat iedereen een andere mening kan hebben en zij leren deze van elkaar te accepteren en naar elkaar te luisteren. Wederzijdse positiviteit en acceptatie zorgt voor een prettige sfeer in de klas. (Förrer, 2000)

Het coöperatief leren draagt ook bij aan een effectieve vorm van het klassenmanagement.
Bij het klassenmanagement kun je denken aan de opstelling van de tafeltjes (in groepjesvorm), de regels in de klas, het materiaal en de tijdsindicatie. Door het coöperatieve leren wordt een deel van het klassenmanagement overgenomen door de leerlingen doordat zij zelf de verantwoordelijkheid hebben over de tijd, het geluidsniveau en het materiaal. (van Vugt, 2002)

Om de beslissing te laten vallen wanneer je als school wel of niet kiest voor het coöperatief leren, is het ook belangrijk om te weten wat het de leerkracht en de leerlingen oplevert.

Voor de leerlingen is coöperatief leren zeer geschikt om van en met elkaar te leren. Zo is de sociale controle groot binnen een groepje; niet meewerken aan een opdracht is niet toegestaan. Binnen het groepje kunnen leerlingen ook weer van elkaar leren. De een heeft wellicht een andere werkhouding dan de ander en kunnen de leerlingen van elkaars werkhouding leren. Naast het feit dat de leerlingen van elkaar leren op het gebied van de werkhouding, kunnen zij ook elkaars capaciteiten benutten. Het ene groepslid is goed in het een en het andere groepslid is goed in het ander. Iedereen brengt een deel eigen vaardigheden en kennis in. (Hiervoor is wel een kritische blik naar elkaar nodig.)
Daarnaast is het voor veel kinderen een veilige omgeving. Sommige kinderen voelen zich niet prettig om in een hele klas hardop te spreken terwijl anderen daar geen probleem mee hebben.

Wanneer er in een groepje wordt gewerkt en niet met heel de klas, voelen sommige kinderen zich veilig genoeg om binnen het groepje wel hardop te spreken. Doordat deze leerlingen binnen het groepje wel een rol vervullen zal het zelfbeeld van het kind positiever worden. (van Vugt,2002)

Het levert de leerkracht ook een aantal dingen op. De leerkracht geeft een aantal dingen van het klassenmanagement uit handen en heeft hierdoor extra mogelijkheden. Zo kan de leerkracht de opdracht zo afstemmen dat elk kind zijn eigen leerbehoeften kwijt kan terwijl de effectieve leertijd juist wordt vergroot. Tijdens zo’n les kan de leerkracht de leerlingen observeren en krijgt de leerkracht de kans om leerlingen op een andere manier te leren kennen. Zo zullen zich wellicht geheel andere gedragskenmerken naar boven komen waarvan de leerkracht misschien niet wist dat het kind deze kenmerken bezat. In het proces van het coöperatief leren heeft de leerkracht ook een coachende rol en niet die van leider. Zo komt het voor dat een groepje de leerkracht om hulp vraagt. In dit geval kan de leerkracht vragen stellen aan het groepje zodat zij zelf gaan nadenken over een mogelijke oplossing. De leerkracht geeft hier geen antwoord en is niet leidend bezig. De leerkracht kan tijdens een coöperatieve werkles door rond te lopen en vragen te stellen aandacht besteden aan de sociale- culturele en de cognitieve vaardigheden.
(http://www.interstudie-ndo.nl/documenten/cooperatief_leren.pdf)

Als school hoeft er niet alleen in de klas coöperatief gewerkt te worden. Je kunt ook coöperatief vergaderen. Tijdens een vergadering is een van de weinige momenten dat het hele team bij elkaar is en de tijd kan hierbij het best optimaal benut worden. Wanneer er vergaderd wordt is het vooraf belangrijk dat er ruimte is voor persoonlijk contact, dit bevorderd de sfeer en de wederzijdse acceptatie.
Een coöperatieve vergadering is het tegenovergestelde van een reguliere vergadering. Tijdens een vergadering is vaak een persoon aan het woord en is de aandacht op diegene gericht. Er worden vaste notulen gemaakt en het team is bezig om de verstrekte informatie te begrijpen. Coöperatief vergaderen houdt in dat vele mensen tegelijk in groepjes praten, er ruimte is voor persoonlijk contact en discussie en dat iedereen een gelijke deelname heeft in de vergadering.

Tijdens het coöperatief vergaderen kun je ook gebruik maken van werkvormen. Vormen voor een professionele ontwikkeling, vormen voor het nemen van besluiten en werkvormen ter bevordering van de onderlinge relaties. Deze werkvormen zijn onder te verdelen in tweetal structuren, viertal structuren en hele groep structuren. (Kagan, 2006)

De voor- en nadelen van coöperatief leren

Honderden theoretische en praktische onderzoeken tonen aan dat coöperatief leren een aantal zeer positieve resultaten oplevert. Het heeft onder andere een positieve uitwerking op het klimaat in de klas, op het gevoel van eigenwaarde van de kinderen, op de zelfdiscipline van de kinderen, op de vaardigheden om rollen te spelen, op de doelgerichtheid, op de wederzijdse acceptatie en het plezier in leren. Hier even kort een opsomming van 10 voordelen van coöperatief leren:
1. Verbetering van de leerresultaten
2. Verbetering van de multiculturele relaties in geïntegreerde klassen
3. De eigenwaarde van de kinderen neemt toe
4. De kinderen leven zich beter in de ander in en begrijpen elkaar beter
5. Verbetering in de sociale vaardigheden en relaties
6. Verbetering in het klassenklimaat
7. Verbetering van de verantwoordelijkheid
8. Toename van de participatie
9. Gelijkwaardige deelname
10. Verbetering van de zelfkennis van de kinderen
(Kagan, 1999)

De drie belangrijkste positieve resultaten worden hieronder toegelicht.
De prestaties van de kinderen verbeteren vooral bij kinderen in minderheidsgroepen en slechte presteerders. Onderzoek door Slavin (1995) toont aan dat 63% van de leerlingen bij coöperatief leren betere resultaten vertoonde, 33% vertoonde geen verschil en slechts 4% vertoonde juist betere resultaten bij de controlegroepen met traditionele lessen. Hieruit zou je kunnen opmaken dat de grootste groep mensen gebaad is bij lessen op de coöperatieve manier. Een voorwaarde hierbij, is wel zo toont Slavin aan, dat de individuele verantwoordelijkheid aanwezig moet zijn, zo niet dan waren de resultaten in de groepen ongeveer gelijk. Uit dit onderzoek bleek ook dat de slecht presterende leerlingen en de leerlingen uit de minderheidgroep het meest profiteerden van het coöperatief leren. Dit ging overigens niet ten koste van verbetering van de betere presteerders, die werden ook beter of bleven gelijk. Behalve het leerresultaat van de les wordt door iedere activiteit de taalvaardigheid van de kinderen verbetert, de kinderen zijn immers actief met taal bezig en leren zo veel van en met elkaar.

De multiculturele relaties tussen de kinderen in geïntegreerde klassen verbeteren. Een onderzoek van Kagan (1992) toont aan dat 63% van de 19 tests verbeterde etnische relaties vertoond.

De sociaal-emotionele ontwikkeling verbeterd bij alle kinderen. Tientallen studies hebben aangetoond dat als kinderen mogen samenwerken, zij merken dat ze beter worden in verschillende sociale vaardigheden (Johnson, Johnson en Slavin, 1994). Kinderen worden behendiger in het oplossen van problemen in de samenwerking, ze kunnen beter de rol van een ander spelen, ze worden meer coöperatief op een aantal gebieden en zijn eerder bereidt anderen te helpen en waarderen.

De coöperatieve klas sluit ook aan bij het adaptief onderwijs. De coöperatieve klas werkt aan de behoefte tot relatie, doordat iedere inbreng telt. Kinderen hebben contact met elkaar, helpen elkaar en vergelijken elkaars werkwijzen. De coöperatieve klas werkt aan de behoefte competentie doordat de manier waarop ze werken hen mede-eigenaar van de les maakt. De coöperatieve klas werkt aan de behoefte tot autonomie, omdat de kinderen kunnen ervaren dat ze het zelf kunnen en mogen kiezen.

Met het bovenstaande deel van de deelvraag word beschreven welke positieve resultaten coöperatief leren allemaal met zich meebrengt. Maar laten we eerlijk zijn er zijn ook punten tegen het coöperatief leren:
1. In het begin is extra begeleiding nodig voor de benodigde sociale vaardigheden.
2.Cijfers voor een hele groep zijn niet gewenst (individuele aanspreekbaarheid)
3. Kinderen willen niet graag meedoen als ze bang zijn te falen voor klasgenoten
4. Het competitiegevoel tussen teams word aangesterkt
5. Voor het werken met coöperatief leren zijn een aantal extra materialen nodig
6. De kinderen leren afhankelijk te worden van samenwerken
7. Het klassenmanagement moet worden aangepast (bijvoorbeeld stiltemomenten en indeling)
8. De kans op afleiding kan groter zijn doordat ze al aan het samenwerken zijn
9. Kinderen kunnen zich gebruikt voelen wanneer ze denken meer te hebben gedaan
10. Ouders kunnen denken dat de kinderen alleen maar plezier maken en minder leren
(Kagan,1999)

Het is hiermee duidelijk dat coöperatief leren niet zonder problemen is. Om deze problemen te voorkomen is het verleidelijk om de kinderen in rijen te zetten ze niet te laten praten en rustig aantekeningen te laten maken van een wijze leerkracht. Dit zou kunnen. We kunnen ervoor kiezen om net te doen alsof de kinderen geen sociale vaardigheden nodig hebben. Maar dan, wanneer en hoe zullen de kinderen de sociale vaardigheden verkrijgen die ervoor zorgen dat ze later succesvol en plezierig leren. Als we bang zijn voor de mogelijke problemen hoe kunnen we dan de vruchten plukken van de vele positieve resultaten van coöperatief leren.

Hieronder 10 tips om ervoor te zorgen dat coöperatief leren een succes wordt:
1. Gebruik nooit groepcijfers
2. Voor het invoeren van coöperatief leren is het verstandig de ouders/verzorgers en andere mensen in de directe omgeving op de hoogte te stellen
3. Ga er niet van uit dat de kinderen alle benodigde sociale vaardigheden bezitten, bespreek ze en leer ze aan.
4. Denk van te voren na over de interactie tussen de kinderen; wat wil je wel wat niet?
5. Begin met werkvormen die zorgen voor het bouwen van team/klas
6. Begin met zeer gestructureerde en korte wekvormen die zich langzaam omvormen tot minder gestructureerde projecten
7. Begin bij werkvormen voor het aanleren van stof met een activiteit die voor iedereen te doen is
8. Sta niet toe dat de kinderen ongestructureerd gaan praten voordat ze kunnen en willen samenwerken
9. Probeer het wiel niet opnieuw uit te vinden, begin gewoon met kant en klare werkvormen
10. Take it slow, maak het jezelf en de kinderen gemakkelijk. Leer een nieuwe strategie goed aan voordat je aan een nieuwe begint. (Kagan, 1999)